“Ik zag een gezicht in het water. Ze glimlachte terug… maar het was niet het mijne.
Ze greep me… trok me onder. Haar vingers waren koud als steen.
Onder de oppervlakte is het niet stil…Ze fluistert daar, over de wortels van de bomen…
over het pad dat terug het bos in leidt. Daar komt ze vandaan.
